Wanneer een cliënt je een persoonlijke vraag stelt—of je zelf kinderen hebt, of jij ook wel
eens kwaad wordt—gaat het zelden om pure nieuwsgierigheid. Vaak zoekt de cliënt naar
herkenning, veiligheid of een vorm van nabijheid. De cliënt probeert te begrijpen wie jij bent
in de relatie en of jij hem of haar echt kunt begrijpen.

Wat jij daarop vertelt, hangt af van twee dingen: wat jij zelf wil delen en wat de cliënt op dat
moment aankan. Zelfonthulling kan verbindend werken, maar ze kan evengoed de rollen
vertroebelen of de aandacht wegtrekken van de cliënt. Daarom is het belangrijk om elke vraag
te wegen: wat bedoelt de cliënt eigenlijk, wat probeert die te begrijpen?

Soms kan een kort, eerlijk antwoord voldoende zijn, bijvoorbeeld dat jij ook emoties hebt en
hebt moeten leren ermee om te gaan. Maar er komt altijd een moment waarop je mag
aangeven dat een vraag te persoonlijk is. Dat is geen afwijzing, maar een vorm van begrenzen
die het contact juist kan versterken.

Je kunt dat zacht en duidelijk doen: “Die vraag gaat over mijn privé. Daar vertel ik niet meer
over. Maar je mag mij wel vertellen waarom je dat wil weten.” Zo houd je de relatie open,
terwijl je de focus terugbrengt naar het cliënten zijn behoefte.

Persoonlijke informatie delen is dus geen truc, maar een bewuste keuze. In elke situatie zoek
je opnieuw naar wat het contact verdiept zonder jezelf te verliezen.