Wanneer ik dit in de klas of in een team uitspreek, zie ik vaak verbaasde gezichten. Conflicten nodig hebben? Het klinkt bijna als een provocatie. De meesten van ons hebben immers geleerd dat conflicten iets vervelends zijn: ze kosten energie, verstoren de rust en laten een wrange nasmaak achter. Toch ben ik er, als psychotherapeut en als lector, steeds meer van overtuigd geraakt dat conflicten niet alleen onvermijdelijk zijn, maar zelfs noodzakelijk.
We kunnen een conflict eenvoudig omschrijven als een botsing die uitmondt in strijd. Twee mensen maken duidelijk wat ze willen of niet willen, en die verlangens blijken onverenigbaar. Zolang men probeert elkaar te overtuigen, het eigen gelijk te halen of de ander te bewegen tot toegeven, spreken we van een conflict. Agressie kan daarbij een rol spelen, maar dat hoeft niet. Ook zonder stemverheffing kan de spanning voelbaar zijn.
Dat we conflicten doorgaans als onaangenaam ervaren, is begrijpelijk. Ze confronteren ons met grenzen: met onze eigen beperkingen, met de weerbarstigheid van anderen, met de complexiteit van samenleven. In de zorgsector, waar ik dagelijks mee te maken heb, worden die grenzen bijzonder zichtbaar. Een zorgvrager heeft wensen en noden; een zorgverlener heeft mogelijkheden, regels en professionele verantwoordelijkheden. Wat de ene wil of nodig heeft, past niet altijd bij wat de andere kan of mag bieden. Botsingen zijn daar geen uitzondering maar eerder regel.
Toch schuilt precies in die botsingen hun waarde. Een conflict is vaak het moment waarop de ander zichtbaar wordt in wat hij werkelijk belangrijk vindt. Zonder wrijving blijven we gemakkelijk aan de oppervlakte. We knikken beleefd, vermijden spanning en houden onze echte gedachten voor ons. Het conflict dwingt ons echter om kleur te bekennen. Het brengt aan het licht wat anders onuitgesproken zou blijven.
In therapie zie ik dat voortdurend gebeuren. Mensen die jarenlang conflicten uit de weg gingen, hebben vaak ook hun eigen stem leren inslikken. Ze hebben geleerd zich aan te passen, te zwijgen, te sussen. Pas wanneer ze durven botsen, ontdekken ze opnieuw wie ze zijn en wat ze nodig hebben. Hetzelfde geldt voor teams: een team zonder conflicten is zelden een harmonieus team; het is meestal een team waarin men elkaar ontwijkt.
Daarom vind ik het belangrijk dat we conflicten niet automatisch proberen te onderdrukken. In de zorg willen we de zorgvrager echt ontmoeten, niet alleen zijn gehoorzame versie. Dat betekent dat we hem of haar moeten aanmoedigen om op te komen voor wat belangrijk is. Soms vraagt dat strijd. Strijd hoeft niet destructief te zijn. Ze kan ook een vorm van dialoog worden: scherp, maar eerlijk; intens, maar respectvol.
De uitdaging ligt er dus niet in conflicten te vermijden, maar ze goed te leren hanteren. Een volwassen conflict is geen wedstrijd om te winnen, maar een ontmoeting waarin twee werkelijkheden naast elkaar mogen bestaan. Het vraagt moed om te zeggen wat je denkt, en evenveel moed om te luisteren naar wat de ander zegt. Wanneer dat lukt, kan een conflict uitgroeien tot een moment van groei en verbinding.
Conflicten verpesten misschien af en toe onze dag, maar ze redden op lange termijn onze relaties. Ze houden ons wakker, authentiek en levend. Zonder botsingen zouden we elkaar nooit echt tegenkomen. En precies dát ontmoeten – met alles wat erbij hoort – is de kern van menselijk samenleven en van goede zorg. Daarom durf ik het blijven herhalen: we hebben conflicten nodig.