“Waarom doe ik dat?” Het is een vraag die ik vaak hoor. Ze wordt uitgesproken met verwondering, frustratie of zelfverwijt. Alsof er ergens een ontbrekend stukje informatie ligt dat, eenmaal gevonden, alles zou oplossen. Wanneer ze het vraagt, stel ik haar een tegenvraag: “Zou het een verschil maken als je wist waar het vandaan komt?” Ze twijfelt even. Want diep vanbinnen is het antwoord vaak minder evident dan we denken.
Ik geloof namelijk niet dat weten waarom op zichzelf het verschil maakt. En toch blijven we die vraag stellen. Misschien omdat begrijpen houvast geeft. Een verklaring kan geruststellen: “Het ligt niet zomaar aan mij, er is een reden.” Oorzaken benoemen kan schuld verzachten en chaos ordenen. In die zin is de vraag volkomen menselijk.
Maar in therapie merk ik dat inzicht zelden automatisch leidt tot verandering. Mensen kunnen haarfijn uitleggen waar hun patronen vandaan komen. Ze kennen hun geschiedenis, hun kwetsuren, hun overlevingsstrategieën. Ze begrijpen waarom ze zich terugtrekken, pleasen, ontploffen of vastlopen. En toch blijven ze het doen. Niet omdat ze koppig zijn, maar omdat gedrag niet alleen door inzicht gestuurd wordt.
Veel van wat we doen, is ooit ontstaan als een poging om het uit te houden. Het was functioneel in een bepaalde context. Het lichaam en het zenuwstelsel hebben dat onthouden, vaak sneller dan het denken kan volgen. Wanneer gelijkaardige situaties zich aandienen, schakelt dat patroon opnieuw in — niet uit onwil, maar uit automatisme.
De vraag “waarom doe ik dat?” richt zich naar het verleden. Dat kan waardevol zijn, maar het risico bestaat dat we daar blijven hangen. Alsof de verklaring een sleutel is die meteen de deur opent. Terwijl de echte beweging vaak in het heden ligt: wat gebeurt er nu? Wat voel je net vóór je dit gedrag stelt? Wat gebeurt er in je lichaam, in je gedachten, in je ademhaling?
Wanneer we die vragen verkennen, verschuift de focus. Niet langer “wat is er mis met mij?”, maar “wat probeert dit gedrag voor mij te doen?” Dat opent ruimte voor mildheid. Voor erkenning dat dit geen fout is, maar een poging tot zorg — zij het een die vandaag misschien niet meer helpend is.
En toch… het verlangen om te weten waar het vandaan komt, verdwijnt niet zomaar. Misschien omdat betekenis geven ons mens maakt. Omdat verhalen verbinden. Omdat we onszelf willen begrijpen, niet alleen corrigeren. En daar heeft therapie ook plaats voor. Niet om het waarom te gebruiken als verklaring die alles oplost, maar als een context die het draaglijker maakt.
Verandering ontstaat zelden door inzicht alleen. Ze groeit wanneer begrijpen samengaat met voelen, met ervaren, met oefenen in het hier en nu. Wanneer iemand niet alleen weet waarom ze iets doet, maar ook leert herkennen wanneer het gebeurt — en ontdekt dat er op dat moment meer dan één mogelijkheid bestaat.
Misschien is dat het paradoxale: het antwoord op “waarom doe ik dat?” is vaak minder belangrijk dan wat je doet met dat besef. En toch blijft de vraag waardevol. Niet als eindpunt, maar als begin van een dieper gesprek.